sábado, 20 de dezembro de 2014

Alberto Caeiro - Een regendag is...




Een regendag is even mooi als een dag van zonneschijn.
Beide bestaan, elk zo hij is.

Um dia de chuva é tão belo como um dia de sol.
Ambos existem, cada um é como é.

Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro 08.11.1915
Vertaling August Willemsen 


Alberto Caeiro was eerste grote heteronym van Pessoa; samengevat door Pessoa, die schrijft: 'Hij ziet dingen slechts met de ogen, niet met de mening.'

Alberto Caeiro - Toen ik je nog niet had

Toen ik je nog niet had 
Toen ik je nog niet had 
Hield ik van de natuur zoals een kalme monnik houdt van Christus... 
Nu houd ik van de natuur 
Zoals een kalme monnik van de Maagd Maria houdt, 
Religieus, op mijn manier, als vroeger, 
Maar op andere, meer ontroerde en meer nabije wijze.
Ik zie de rivieren beter als ik met jou door de velden ga 
Tot aan de oever der rivieren; 
Naast jou zittend, kijkend naar de wolken, 
Kijk ik beter naar de wolken...
Jij hebt de natuur mij niet ontnomen...
Jij hebt de natuur voor mij in niets veranderd...
Jij hebt de natuur heel dicht bij mij gebracht. 
Omdat jij bestaat zie ik haar beter, maar als natuur dezelfde, 
Omdat jij mij liefhebt, heb ik haar net zo lief, maar meer,
Omdat jij mij kiest om je te hebben en lief te hebben, 
Hebben mijn ogen haar langer aanschouwd 
En boven alle dingen. 
Ik heb geen spijt van wie ik vroeger was
Omdat ik die nog ben. 
Ik heb slechts spijt je vroeger niet te hebben liefgehad.

Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro
Vertaling August Willemsen

Alberto Caeiro was eerste grote heteronym van Pessoa; samengevat door Pessoa, die schrijft: „Hij ziet dingen slechts met de ogen, niet met de mening.

Quando eu não te tinha
Quando eu não te tinha
Amava a Natureza como um monge calmo a Cristo...
Agora amo a Natureza
Como um monge calmo à Virgem Maria,
Religiosamente, a meu modo, como dantes,
Mas de outra maneira mais comovida e próxima.
Vejo melhor os rios quando vou contigo
Pelos campos até à beira dos rios;
Sentado a teu lado reparando nas nuvens
Reparo nelas melhor...
Tu não me tiraste a Natureza...
Tu não me mudaste a Natureza...
Trouxeste-me a Natureza para ao pé de mim.
Por tu existires vejo-a melhor, mas a mesma,
Por tu me amares, amo-a do mesmo modo, mas mais,
Por tu me escolheres para te ter e te amar,
Os meus olhos fitaram-na mais demoradamente
Sobre todas as cousas.
Não me arrependo do que fui outrora
Porque ainda o sou.
Só me arrependo de outrora te não ter amado.

Alberto Caeiro, in Pastor Amoroso
(Heterónimo de Fernando Pessoa)


segunda-feira, 18 de junho de 2012

Alberto Caeiro - Wanneer men, na mijn sterven, mijn biografie wil schrijven

Wanneer men, na mijn sterven, mijn biografie wil schrijven

Wanneer men, na mijn sterven, mijn biografie wil schrijven,
Is niets eenvoudiger dan dat.
Zij bevat slechts twee data – die van mijn geboorte en die van mijn dood.
Daartussenin zijn alle dagen van mijn.

Ik ben simpel te omschrijven.

Ik heb gezien als een bezetene.
Ik heb de dingen liefgehad zonder een grein sentimentaliteit.
Ik heb nooit een wens gekoesterd die ik niet realiseren kon, want ik ben nooit verblind.
Zelfs horen was voor mij nooit anders dan een begeleiding van het zien.
Ik heb begrepen dat de dingen werkelijk zijn en allemaal verschillend van elkaar;
Dat heb ik begrepen met de ogen, en nooit met het denken.
Dit begrijpen met het denken zou betekenen ze allemaal hetzelfde vinden.

Op een dag beving de slaap mij als was ik een kind.
Ik sloot de ogen en sliep in.
Afgezien daarvan ben ik de enige dichter van de natuur geweest.


Alberto Caeiro, in "O Guardador de Rebanhos"
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro
Vertaling August Willemsen

Alberto Caeiro was eerste grote heteronym van Pessoa; samengevat door Pessoa, die schrijft: 'Hij ziet dingen slechts met de ogen, niet met de mening.'

Se depois de eu morrer, quiserem escrever a minha biografia,

Se depois de eu morrer, quiserem escrever a minha biografia,
Não há nada mais simples
Tem só duas datas — a da minha nascença e a da minha morte.
Entre uma e outra cousa todos os dias são meus.

Sou fácil de definir.
Vi como um danado.
Amei as cousas sem sentimentalidade nenhuma.
Nunca tive um desejo que não pudesse realizar, porque nunca ceguei.
Mesmo ouvir nunca foi para mim senão um acompanhamento de ver.
Compreendi que as cousas são reais e todas diferentes umas das outras;
Compreendi isto com os olhos, nunca com o pensamento.
Compreender isto corri o pensamento seria achá-las todas iguais.

Um dia deu-me o sono como a qualquer criança.
Fechei os olhos e dormi.
Além disso, fui o único poeta da Natureza.

Alberto Caeiro

domingo, 20 de maio de 2012

Alberto Caeiro - Wat is mijn leven waard? Aan ’t eind (welk eind?)

Wat is mijn leven waard? Aan ’t eind (welk eind?)
Zegt iemand: ik heb driehonderd pop verdiend,
Een ander zegt: ik heb drieduizend dagen roem gekend,
Een ander zegt: ik ben met mijn geweten in het reine en dat is genoeg…
En ik, wanneer ze voor mijn neus staan en mij vragen wat ik heb gedaan,
Zal zeggen: ik heb gekeken naar de dingen en meer niet.
En daarom heb ik  hier het universum in mijn broekzak.
En wanneer God mij vraagt: en wat heb jij dan wel gezien in de dingen?
Dan zal ik zeggen: niet meer dan de dingen… Gij hebt er niet meer in gelegd.
En God, die het daarmee eens is, zal van mij een nieuw soort heilige maken.

Alberto Caeiro, in "Poemas Inconjuntos"
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro
Vertaling August Willemsen

Alberto Caeiro was eerste grote heteronym van Pessoa; samengevat door Pessoa, die schrijft: „Hij ziet dingen slechts met de ogen, niet met de mening.

O que vale a minha vida? No fim (não sei que fim)
Um diz: ganhei trezentos contos,
Outro diz: tive três mil dias de glória,
Outro diz: estive bem com a minha consciência e isso é bastante...
E eu, se lá aparecerem e me perguntarem o que fiz,
Direi: olhei para as cousas e mais nada.
E por isso trago aqui o Universo dentro da algibeira.
E se Deus me perguntar: e o que viste tu nas cousas?
Respondo: apenas as cousas... Tu não puseste lá mais nada.
E Deus que é da mesma opinião. Fará de mim uma nova espécie de santo.

Alberto Caeiro in Poemas Inconjuntos
In Poesia , Assírio & Alvim, ed. Fernando Cabral Martins, Richard Zenith, 2001

sexta-feira, 13 de abril de 2012

Over Pessoa...





VPRO gids -27 mei 2000 - DJA

Dat Fernando Pessoa tot een van de meest tot de verbeelding sprekende auteurs in de wereldliteratuur zou uitgroeien, heeft zijn weinige vertrouwelingen misschien niet verbaasd, maar voor mensen die hem oppervlakkiger kenden, moet hete en schok zijn geweest. Die handelscorrespondent met dat brilletje, die snor en die goed manieren een dichter? Of die man die zich in de cafés van Lissabon stiekem klemzoop een briljante geest? Onmogelijk!
Dat het toch zo was, is vijfenzestig jaar na zijn dood wel duidelijk. Sterker: de bewondering en aandacht voor Pessoa lijken nog elke jaar toe te nemen. Waarom? In eerste instantie natuurlijk vanwege zijn werk, dat in complexiteit en zeggingskracht onvergelijkelijk is, en alleen om de regels ‘Ik ben niets/ Ik zal nooit iets zijn/ Ik kan ook niet iets willen zijn./ Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.’ zijn onsterfelijkheid meer dan rechtvaardigt. Maar daarnaast is er de meervoudige mythe. Allereerst zijn er de talloze levens die hij leidde. Want werken sommige schrijvers onder pseudoniem(en), de namen waar Pessoa (wiens eigen naam zowel ‘persoon’ als ‘masker’ betekent) zijn werk mee ondertekende, gingen heel wat verder dan dat. ‘Heteroniemen’ zoals hij ze noemde, als de zeer uiteenlopende dichters Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Álvaro de Campos of de prozaïst Bernando Soares werden eerder gebóren dan bedacht. Ze kregen een eigen biografie, en de onderlinge meningsverschillen konden hoog lopen. Een spel? Misschien, maar dan wel één van de ernstige soort. En is dat spel al niet genoeg voer voor mythevorming, dan is er ook nog de kist die in 1942 werd gevonden. Een hutkoffer waar ruimte 27000 geschriften het vrijwel geheel onontsloten oeuvre in werd aangetroffen. Poëziebundel na romen, afsplitsing na afsplitsing.
Een voorlopig blijven de verrassingen komen: ‘de kist van Pessoa heeft een nieuw geheim prijsgegeven,’ meldt Volkskrant vorig jaar nog, want wat bleek: de onderzoekers die van de Portugese staat in de manuscripten mogen spitten hadden alweer een heteroniem ontdekt. Álvaro Coelho de Ataíde, veertiende Baron van Teive heet hij, en volgens Richard Zenith, die de vondst deed, is de figuur die in 1928 werd geboren en drie jaar later zelfmoord pleegde, een uitdrukking van Pessoa’s verlangen om bij de adelstand te behoren.
Of dat inderdaad zo is, kunnen zelf beoordelen, want dan verschijnt bij De Arbeiderpers De Stoïcijn, August Willemsens vertaling van diens fragmentarische A Educação Estóica. Een onvoltooide tekst, want het motto luidt niet voor niets ‘De onmogelijkheid om grote kunst te maken.’
Zijn oeuvre zal nooit uit afgerond werk bestaan, maar ondertussen wordt er wel hard gewerkt aan een kritische editie van ‘de kist’. Ook in het Nederlands, want in september werden bij uitgeverij Assírio & Alvim alle rechten aangekocht, De Stoïcijn is samen met het in het Engels geschreven boek Lissabon, Wat de toerist moet zien maar de eerste aanzet voor een complete Pessoabibliotheek waarin vertalingen van zijn hele werk zullen verschijnen. Dat er naast de 22 nu in Portugal delen nog vele zullen volgen staat wel vast. Een mooie schat om naar uit te kijken. En een mooie aanleiding voor een portret.

quinta-feira, 12 de abril de 2012

Albero Caeiro - Mijn blik is zuiver als een zonnebloem

Mijn blik is zuiver als een zonnebloem.

Mijn blik is zuiver als een zonnebloem.
Ik ben gewoon langs de wegen te lopen
Al kijkend naar rechts en naar links
En nu en dan ook achterom…
En wat ik zie op elk moment
Is dat wat ik nooit eerder had gezien,
En ik weet dit heel goed op te marken…
Ik kan die verbazing in mij hebben
Die een kind zou hebben dat, hij de geboorte,
Zou beseffen dat het echt geboren was…
Ik voel mij elk moment geboren
Voor het eeuwig nieuwe van de wereld…

Ik geloof in de wereld zoals in een madeliefje,
Omdat ik haar zie. Maar ik denk er niet aan
Want denken, dat is niet begrijpen…
De wereld is niet gemaakt opdat wij erover zouden denken
(denken betekent een oogziekte hebben)
Maar om ernaar te kijken en het ermee eens te zijn.

Ik heb geen filosofie: ik heb zintuigen…
Als ik al spreek van de natuur, dan niet omdat ik weet wat zij is,
Maar omdat ik haar liefheb, en daarom juist heb ik haar lief,
Want wie liefheeft weet nooit wat hij liefheeft
Noch waarom hij liefheeft, noch wat liefde is…

Liefhebben is de eeuwige onschuld,
En de enige onschuld is niet denken…

Alberto Caeiro, in "O Guardador de Rebanhos - Poema I"
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro
Vertaling August Willemsen

Alberto Caeiro was eerste grote heteronym van Pessoa; samengevat door Pessoa, die schrijft: „Hij ziet dingen slechts met de ogen, niet met de mening.

O meu olhar é nítido como um girassol.O meu olhar é nítido como um girassol.
Tenho o costume de andar pelas estradas
Olhando para a direita e para a esquerda,
E de vez em quando olhando para trás...
E o que vejo a cada momento
É aquilo que nunca antes eu tinha visto,
E eu sei dar por isso muito bem...
Sei ter o pasmo essencial
Que tem uma criança se, ao nascer,
Reparasse que nascera deveras...
Sinto-me nascido a cada momento
Para a eterna novidade do Mundo...

Creio no mundo como num malmequer,
Porque o vejo. Mas não penso nele
Porque pensar é não compreender...
O Mundo não se fez para pensarmos nele
(Pensar é estar doente dos olhos)
Mas para olharmos para ele e estarmos de acordo.

Eu não tenho filosofia; tenho sentidos...
Se falo na Natureza não é porque saiba o que ela é,
Mas porque a amo, e amo-a por isso
Porque quem ama nunca sabe o que ama
Nem sabe por que ama, nem o que é amar...
Amar é a eterna inocência,
E a única inocência não pensar...

Alberto Caeiro

sexta-feira, 11 de novembro de 2011

Carlos Drumond de Andrade - Het kontje, ach hoe aardig



Het kontje, ach hoe aardig

Het kontje, ach hoe aardig,
Lacht altijd, nooit tragisch.

Kan niet schelen wat
van voren zit. Het kontje is zichzelf genoeg.
Is er nog meer? Misschien de borsten.
Nou - moppert het kontje - die jongens
hebben nog heel wat voor de boeg.

Het kontje is tweelingmanen
in een onbelemmerd wiegen. Loopt vanzelf
in zijn lieftallige cadans, zijn wonder
twee in een te zijn, volledig.

Het kontje vermaakt zich
in zijn eentje. En bemint.
In bed beweegt het. Bergen
rijzen, dalen. Golven slaan
op grenzeloze kust.

Daar gaat het kontje, lachend. Blij
met de streling er te zijn, te schommelen.
Harmonieuze sferen hoog boven de chaos.

Het kontje is het kontje,
een rondje.

Carlos Drumond de Andrade
Vertaald door August Willemsen

Carlos Drummond de Andrade (Itabira, 31 oktober 1902 – Rio de Janeiro, 17 augustus 1987) was misschien het invloedrijkst Braziliaans dichter van 20ste eeuw.

A bunda, que engraçada

A bunda, que engraçada.
Está sempre sorrindo, nunca é trágica.

Não lhe importa o que vai
pela frente do corpo. A bunda basta-se.
Existe algo mais? Talvez os seios.
Ora - murmura a bunda - esses garotos
ainda lhes falta muito que estudar.

A bunda são duas luas gêmeas
em rotundo meneio. Anda por si
na cadência mimosa, no milagre
de ser duas em uma, plenamente.

A bunda se diverte
por conta própria. E ama.
Na cama agita-se. Montanhas
avolumam-se, descem. Ondas batendo
numa praia infinita.

Lá vai sorrindo a bunda. Vai feliz
na carícia de ser e balançar
Esferas harmoniosas sobre o caos.

A bunda é a bunda
redunda.

sábado, 8 de outubro de 2011

Luís Vaz de Camões - Liefde

Liefde is een gloed die schroeit zonder vlam
Liefde is een wonde die kwelt zonder smart
Liefde is een blijdschap die jubelt zonder vreugd
Liefde is een pijn die foltert zonder klacht.

Liefde is vol verlangen zich afkeren
Liefde is door volk omgeven zich vereenzamen
Liefde is zonder voldoening zich bevredigen
Liefde is overwinnen door zich te verliezen.

Liefde is een gevang, dat men ingaat zonder schroom
Liefde is een overwinnaar die men dient met opgeheven hoofd
Liefde is een moordenaar, die men aanhangt zonder vertrouwen.

Liefde is . . . Och hoe bestaat het
dat in ons broze hart eenzelfde liefde
met zo'n verwarrende gevoelens blijft gedijen?

(vertaling: Karel van Dorpe)

Amor

Amor é fogo que arde sem se ver;
é ferida que dói e não se sente;
é um contentamento descontente;
é dor que desatina sem doer.

É um não querer mais que bem querer;
é solitário andar por entre a gente;
é um não contentar-se de contente;
é cuidar que se ganha em se perder.

É um estar-se preso por vontade;
é servir, a quem vence, o vencedor;
é um ter com quem nos mata lealdade.

Mas como causar pode o seu favor
nos mortais corações conformidade,
sendo a si tão contrário o mesmo amor?

(Luís de Camões)

segunda-feira, 3 de outubro de 2011

Eugénio de Andrade - Vaarwel

We hebben de woorden op straat al verbruikt, lieveling,
en wat ons nog rest volstaat niet
om de koude te verjagen van vier muren.
We hebben alles verbruikt behalve de stilte.
Onze ogen hebben we met zout van de tranen
verslonden, de handen versleten door ze te drukken,
de klok en de stenen van de kamerhoeken
verteerd in vergeefse verwachting.

Ik steek mijn handen in mijn zakken en ik vind niets.
We hadden vroeger zoveel om elkaar te geven;
Het was alsof alle dingen van mij waren:
Hoe meer ik je gaf hoe meer ik je te geven had.

Soms zei je: jouw ogen zijn groene vissen.
En ik naam het aan.
Ik naam het aan,
omdat aan jouw zijde
alle dingen mogelijk waren.

Maar dat was in de tijd van de geheimen,
het was in de tijd dat jouw lichaam een aquarium was,
het was in de tijd dat mijn ogen
waarachtig groene vissen waren.
Nu zijn het alleen maar mijn ogen meer.
Het is weinig, maar het is de waarheid,
een paar ogen zoals alle andere.

We hebben de woorden reeds verbruikt.
Hoe vaak ik nu ook zeg: lieveling
er gebeurt helemaal niets meer.
En toch, vóór de versleten woorden,
weet ik met zekerheid
dat alleen door jouw naam te fluisteren
Alle dingen sidderen
in de stilte van mijn hart.

Wij hebben niets meer te geven.
Er is in jou
niets meer dat mij om water vraagt.
Het verleden is nutteloos als de vod.
En ik heb je reeds gezegd: de woorden zijn verbruikt.

Vaarwel.

Eugénio de Andrade
Vertaling Toon Cappuyns – Germain Droogenbroodt

Eugénio de Andrade, pseudoniem van José Fontinhas, GOSE, GCM (Póvoa de Atalaia, Fundão, 19 Januari 1923 – Porto, 13 Juni 2005), was a Portugees dichter. Hij wordt gerespecteerd als één van de belangrijke namen in tijdgenoot Portugese poëzie.

Adeus

Já gastámos as palavras pela rua, meu amor,
e o que nos ficou não chega
para nos afastar o frio de quatro paredes.
Gastámos tudo menos o silêncio.
Gastámos os olhos com o sal das lágrimas,
gastámos as mãos à força de as apertarmos,
gastámos o relógio e as pedras das esquinas
em esperas inúteis.

Meto as mãos nas algibeiras e não encontro nada.
Antigamente tínhamos tanto para dar um ao outro;
era como se todas as coisas fossem minhas:
quanto mais te dava mais tinha para te dar.

Às vezes tu dizias: os teus olhos são peixes verdes.
E eu acreditava.
Acreditava,
porque ao teu lado
todas as coisas eram possíveis.

Mas isso era no tempo dos segredos,
era no tempo em que o teu corpo era um aquário,
era no tempo em que os meus olhos
eram realmente peixes verdes.
Hoje são apenas olhos.
É pouco, mas é verdade,
uns olhos como todos os outros.

Já gastamos as palavras.
Quando agora digo: meu amor,
já se não passa absolutamente nada.
E, no entanto, antes das palavras gastas,
tenho a certeza
que todas as coisas estremeciam
só de murmurar o teu nome
no silêncio do meu coração.

Não temos já nada para dar.
Dentro de ti
não há nada que me peça água.
O passado é inútil como um trapo.
E já disse: as palavras estão gastas.

Adeus.

Eugénio de Andrade

sábado, 12 de março de 2011

Carlos Drummond de Andrade - Internationaal congres van de angst



Internationaal congres van de angst

Tijdelijk zullen wij niet de liefde bezingen,
Die gevlucht is nog onder de souterrains,
Wij zullen de angst bezingen, die omarmingen steriliseert,
wij zullen niet de haat bezingen, omdat die niet bestaat,
bestaan doet slechts de angst, onze vader en onze vriend,
de grote angst voor binnenlanden, voor zeeën, voor woestijnen,
de angst voor soldaten, de angst voor moeders, de angst voor kerken,
wij zullen de angst voor dictators bezingen, de angst voor democraten,
wij zullen de angst voor de dood bezingen en de angst voor na de dood,
vervolgens zullen wij sterven van angst
en boven onze graven zullen gele en bange bloemen bloeien.

Carlos Drumond de Andrade
Vertaald door August Willemsen

Carlos Drummond de Andrade (Itabira, 31 oktober 1902 – Rio de Janeiro, 17 augustus 1987) was misschien het invloedrijkst Braziliaans dichter van 20ste eeuw.

Congresso Internacional do Medo

Provisoriamente não cantaremos o amor,
que se refugiou mais abaixo dos subterrâneos.
Cantaremos o medo, que esteriliza os abraços,
não cantaremos o ódio porque esse não existe,
existe apenas o medo, nosso pai e nosso companheiro,
o medo grande dos sertões, dos mares, dos desertos,
o medo dos soldados, o medo das mães, o medo das igrejas,
cantaremos o medo dos ditadores, o medo dos democratas,
cantaremos o medo da morte e o medo de depois da morte,
depois morreremos de medo
e sobre nossos túmulos nascerão flores amarelas e medrosas.

sábado, 5 de março de 2011

Alberto Caeiro - Vanuit mijn dorp zie ik zoveel van het heelal als men vanaf de aarde zien kan…

Vanuit mijn dorp zie ik zoveel van het heelal als men vanaf de aarde zien kan…

Vanuit mijn dorp zie ik zoveel van het heelal als men vanaf de aarde zien kan…
Daarom is mijn dorp zo groot als ieder ander,
Want ik ben zo groot als wat ik zie
En niet zo groot als ik lang ben…

In de steden is het leven kleiner
Dan hier in mijn huis halfweg de heuvel.
De grote huizen in de stad vergrendelen het zicht,
Verbergen de horizon, duwen onze blik weg van heel de hemel,
Maken ons klein omdat ze ons ontnemen wat ons ogen kunnen geven,
En maken ons arm want onze enige rijkdom is zien.

Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro
Vertaling August Willemsen

Da minha aldeia vejo quanto da terra se pode ver no universo...

Da minha aldeia vejo quanto da terra se pode ver no universo...
Por isso a minha aldeia é tão grande como outra terra qualquer,
Porque eu sou do tamanho do que vejo
E não, do tamanho da minha altura...

Nas cidades a vida é mais pequena
Que aqui na minha casa no cimo deste outeiro.
Na cidade as grandes casas fecham a vista à chave,
Escondem o horizonte, empurram o nosso olhar para longe de todo o céu,
Tornam-nos pequenos porque nos tiram o que os nossos olhos nos podem dar,
E tornam-nos pobres porque a nossa única riqueza é ver.

sábado, 12 de fevereiro de 2011

Alberto Caeiro - Ik heb nooit kudden gehoed

Ik heb nooit kudden gehoed

Ik heb nooit kudden gehoed,
Maar het is alsof ik ze hoedde.
mijn ziel is als een herder,
Kent de winden en de zon
En wandelt aan de hand van de seizoenen
Al lopende en kijkende.
De hele rust van de natuur zonder mensen
komt naast mij zitten.
maar ik word triest als een zonsondergang
Voor onze verbeelding,
Wanneer het koud wordt ver weg op de vlakte
En men voelt dat de nacht is binnengekomen
Als een vlinder door het raam.

Maar mijn droefenis is rust
Omdat zij juist is, en natuurlijk,
En dat wat in de ziel moet zijn
Wanneer die reeds denkt te bestaan
En niet merkt dat de handen bloemen plukken.

Als een geluid van koebellen
Voorbij de bocht van de weg,
Zoals mijn gedachten tevreden.
Het spijt me alleen te weten dat ze tevreden zijn,
Want ik wist het niet, dan zouden ze,
In plaats van tevereden en droevig,
Vrolijk en tevreden zijn.

Denken is lastig als in de regen lopen
Wanneer de wind toeneemt en het harder lijkt te regenen.
Ik heb geen ambities noch verlangens.
Dichter zijn is geen ambitie van mij.
Het is mijn manier van alleen zijn.

En als ik soms, in mijn verbeelding,
Verlang een lammetje te zijn
(Of de hele kudde
Om mij over de hele helling te verspreiden
En veel gelukkigs tegelijk te zijn),
Dan is dat slechts omdat ik voel wat ik scrijf bij zonsondergang,
Of wanneer een wolk de hand over het licht strijkt
En een stlte door het gras waart.

Wanneer ik ga zitten om verzen te schrijven
Of, wandelend lags wegen en paden,
Verzen schrijf op een papier in mijn gedachte,
Voel ik een staf in mijn handen
En zie ik een silhouet van mijzelf
Op de top van een heuvel,
Kijkend naar mijn kudde en mijn gedachten ziende
Of kijkend naar mijn gedachten en mijn kudde ziende,
En vaag glimlachend als wie niet begrijpt wat men zegt
En wil doen of hij begrijpt.

Ik groet hen allen die mij mogen lezen,
Ik neem oor hen mijn breedgerande hoed af
Zodra de diligence verschijnt boven de heuveltop
En ze voor mijn deur zien zitten.
Ik groet hen en wens hun zon,
En regen, wanneer ze regen nodig hebben,
En dat in hun huis
Voor een open raam
Een lievelingsstoel staat
Waarin ze kunnen zitten en mijn verzen lezen.
En dat ze, bij het lezen van mijn verzen,
Mogen denken dat ik iets natuurlijks ben -
Bijvoorbeeld, die oude boom
In de schaduw waarvan ze, als kind,
Zich met een plof lieten vallen, moe van het spel,
En het zweet van hun verhitte voorhoofd veegden
Met de mouw van hun gestreepte boezelaar.

Alberto Caeiro, in "O Guardador de Rebanhos - Poema I"
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro
Vertaling August Willemsen

Alberto Caeiro was eerste grote heteronym van Pessoa; samengevat door Pessoa, die schrijft: „Hij ziet dingen slechts met de ogen, niet met de mening.

Eu nunca guardei rebanhos

Eu nunca guardei rebanhos,
Mas é como se os guardasse.
Minha alma é como um pastor,
Conhece o vento e o sol
E anda pela mão das Estações
A seguir e a olhar.
Toda a paz da Natureza sem gente
Vem sentar-se a meu lado.
Mas eu fico triste como um pôr de sol
Para a nossa imaginação,
Quando esfria no fundo da planície
E se sente a noite entrada
Como uma borboleta pela janela.

Mas a minha tristeza é sossego
Porque é natural e justa
E é o que deve estar na alma
Quando já pensa que existe
E as mãos colhem flores sem ela dar por isso.

Como um ruído de chocalhos
Para além da curva da estrada,
Os meus pensamentos são contentes.
Só tenho pena de saber que eles são contentes,
Porque, se o não soubesse,
Em vez de serem contentes e tristes,
Seriam alegres e contentes.

Pensar incomoda como andar à chuva
Quando o vento cresce e parece que chove mais.
Não tenho ambições nem desejos
Ser poeta não é uma ambição minha
É a minha maneira de estar sozinho.

E se desejo às vezes
Por imaginar, ser cordeirinho
(Ou ser o rebanho todo
Para andar espalhado por toda a encosta
A ser muita cousa feliz ao mesmo tempo),
É só porque sinto o que escrevo ao pôr do sol,
Ou quando uma nuvem passa a mão por cima da luz
E corre um silêncio pela erva fora.

Quando me sento a escrever versos
Ou, passeando pelos caminhos ou pelos atalhos,
Escrevo versos num papel que está no meu pensamento,
Sinto um cajado nas mãos
E vejo um recorte de mim
No cimo dum outeiro,
Olhando para o meu rebanho e vendo as minhas idéias,
Ou olhando para as minhas idéias e vendo o meu rebanho,
E sorrindo vagamente como quem não compreende o que se diz
E quer fingir que compreende.

Saúdo todos os que me lerem,
Tirando-lhes o chapéu largo
Quando me vêem à minha porta
Mal a diligência levanta no cimo do outeiro.
Saúdo-os e desejo-lhes sol,
E chuva, quando a chuva é precisa,
E que as suas casas tenham
Ao pé duma janela aberta
Uma cadeira predileta
Onde se sentem, lendo os meus versos.
E ao lerem os meus versos pensem
Que sou qualquer cousa natural —
Por exemplo, a árvore antiga
À sombra da qual quando crianças
Se sentavam com um baque, cansados de brincar,
E limpavam o suor da testa quente
Com a manga do bibe riscado.

Alberto Caeiro, in "O Guardador de Rebanhos - Poema I"

sábado, 5 de fevereiro de 2011

Fernando Pessoa - Autopsychografie

De dichter wendt slechts voor.
Hij veinst zo door en door
Dat hij zelfs voorwendt pijn te zijn
Zijn werkelijk gevoelde pijn.

En zij die lezen wat hij schreef,
Voelen in de gelezen pijn
Niet de twee die hij geleden heeft,
Maar een die de hunne niet kan zijn.

En zo rijdt op zijn rails in 't rond,
Tot vermaak van onze rede,
Die opwindtrein, in dichtermond
Ook wel 'het hart' geheten.

Fernando Pessoa
vertaling: August Willemsen

Autopsicografia

O poeta é um fingador.
Finge tão completamente
Que chega a fingir que é dor
A dor que deveras sente.

E os que lêem o que escreve,
Na dor lida sentem bem,
Não as duas que ele teve,
Mas só a que eles não tem

E assim nas calhas de roda
Gira, a entreter a razão,
Esse comboio de corda
Que se chama o coração

Fernando Pessoa

sábado, 29 de janeiro de 2011

Eugénio de Andrade - Dringend


Dringend

De liefde dringt.
Een boot op zee dringt.

Het is dringend om bepaalde woorden uit te roeien,
haat, eenzaamheid en wreedheid,
enkele klachten,
vele zwaarden.

Het is dringend om blijdschap uit te vinden,
de kussen te vermenigvuldigen en graanoogst,
het is dringend rozen te ontdekken en rivieren
en klare ochtend.

Het vált, de stilte op de schouders en het onzuivere
licht, tot het pijn doet.
De liefde dringt, het is dringend
om voort te bestaan.

Eugénio de Andrade
Vertaald door Toon Cappuyns en Germain Droogenbroodt


Eugénio de Andrade werd geboren op 19 januari 1923 in Póvoa da Atalaia en stierf op 13 juni 2005 in Oporto, waar zich ook de Stichting Eugénio de Andrade bevindt. Alhoewel het aldaar heden ten dage niet aan excellente dichters ontbreekt, is hij na Fernando Pessoa wellicht de belangrijkste moderne Portugese dichter. Vanaf 1945 publiceerde hij een dertigtal poëziebundels. Zijn werk, dat in meerdere talen werd vertaald, werd ook meermaals bekroond, ondermeer met de Luis de Camoesprijs, de belangrijkste literaire prijs van zijn land.
Het poëtisch oeuvre van de Andrade behoort tot de generatie van ná het modernisme dat in Portugal een grote bloei kende, het is werk is een van de meest persoonlijke en kritische stemmen van de tweede helft van de twintigste eeuw. Ondermeer met Mario Cesariny, Antonio Ramos Rosa en Sophia de Mello Breyner Andresen biedt die generatie een ethische, mooi gecomponeerde poëzie die zich ook voor het alledaagse interesseert. Met de jaren is zijn poëzie bondiger geworden, ook exacter, meer elegisch en serener, maar hij is steeds een aantal onderwerpen trouw gebleven: de natuur en haar relatie met de mens, de kinderjaren, de moeder, de muziek, het verlangen, de kleine genoegens van het leven en uiteraard de poëzie zelf. Natuurlijkheid, gestrengheid en verfijning vormen de polsslag van zijn poëzie. Een heldere, natuurlijke stem, niet alleen door de aanwezige natuurelementen maar ook door de natuurlijke ritmische cadans van zijn verzen die nooit geforceerd aandoet.
In een tijd van schreeuwerige leegheid en banaliteit is deze poëzie een waardige en wijze bijdrage, de lucide les van een groot dichter: een zacht gefluister in het oor, dat met de kern, het wezen van de dingen verbonden is.


Urgentemente

É urgente o Amor,
É urgente um barco no mar.

É urgente destruir certas palavras
ódio, solidão e crueldade,
alguns lamentos,
muitas espadas.

É urgente inventar alegria,
multiplicar os beijos, as searas,
é urgente descobrir rosas e rios
e manhãs claras.

Cai o silêncio nos ombros,
e a luz impura até doer.
É urgente o amor,
É urgente permanecer.

Eugénio de Andrade

sábado, 22 de janeiro de 2011

Álvaro de Campos - Het regent hard, het regent buitensporig hard…

Het regent hard, het regent buitensporig hard…

Het regent hard, het regent buitensporig hard…
Het regent en van tijd tot tijd staat er een koud wind…
Ik ben triest, alsof ik deze dag was.

Op een dag in mijn toekomst waarop het ook zo regent
En ik, aan ’t raam, opeens zal denken aan de dag van nu,
Zal ik dan zeggen ‘ach, in die tijd was ik veel gelukkiger’
Of zal ik denken ‘ach, wat een trieste tijd was dat!’
O mijn God, wat zal ik van deze dag op die dag denken
En wat zal ik mijn, en hoe; en wat zal mijn verleden zijn dat nu alleen maar heden is?...
De lucht is onbehaaglijker, nog kouder, triester
En het heerst een grote lonen twijfel in mijn hart…

20-11-1914
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Álvaro da Campos
Vertaling August Willemsen

Chove muito, chove excessivamente...

Chove muito, chove excessivamente...
Chove e de vez em quando faz um vento frio...
Estou triste, muito triste, corno se o dia fosse eu.

Num dia no meu futuro em que chova assim também
E eu, à janela de repente me lembre do dia de hoje,
Pensarei eu «ah nesse tempo eu era mais feliz»
Ou pensarei «ah, que tempo triste foi aquele»!
Ah, meu Deus, eu que pensarei deste dia nesse dia
E o que serei, de que forma; o que me será o passado que é hoje só presente?...
O ar está mais desagasalhado, mais frio, mais triste
E há uma grande dúvida de chumbo no meu coração...

20-11-1914

Álvaro de Campos - Livro de Versos. Fernando Pessoa. (Edição crítica. Introdução, transcrição, organização e notas de Teresa Rita Lopes.) Lisboa: Estampa, 1993.
- 12.

sábado, 15 de janeiro de 2011

Álvaro de Campos - De emigrés

De emigrés

Eenzaam in grote onvriendelijke steden,
Zonder de taal te spreken die men spreekt of die men denkt,
Verminkt in hun verhouding tor de anderen,
Zij die later in hun land prat zullen gaan op hun triomfen in den vreemde.
Arme drommels zij die Londen en Parijs veroveren!
Ze keren terug naar huis zonder zich beter te gedragen of beter uit te zien,
Zeb hebben hoogstens van dichtbij gedroomd hetgeen ze zagen -
Permanente vreemdelingen.
Maar ik zal niet om hen lachen. Heb ik iets anders van mijn ideaal gemaakt?

En dat plan dat ik een hotel ooit heb gemaakt, het plan voor mijn levensverhaal?
Dat is een van de zwarte punten in de biografie die ik niet heb gehad.

Fernando Pessoa via zijn heteroniem Álvaro da Campos
Vertaling August Willemsen

Os emigrados

Sós nas grandes cidades desamigas,
Sem falar a língua que se fala nem a que se pensa
Mutilados da relação com os outros
Que depois contado na pátria os triunfos da sua estada.
Coitados dos que conquistam Londres e Paris!
Voltam ao lar sem melhores maneiras nem melhores caras
Apenas sonharam de perto o que viram —
Permanentemente estrangeiros.
Mas não rio deles. Tenho eu feito outra coisa com o ideal?

E o propósito que uma vez formei num hotel planeando a legenda?
É um dos pontos negros da biografia que não tive.

s.d.
Álvaro de Campos - Livro de Versos . Fernando Pessoa. (Edição crítica. Introdução, transcrição, organização e notas de Teresa Rita Lopes.) Lisboa: Estampa, 1993.
- 35.

sábado, 8 de janeiro de 2011

Luís Vaz de Camões - Mijn zielsgeliefde, die zijt heengegaan

Mijn zielsgeliefde, die zijt heengegaan
vroegtijdig uit dit onverzoenlijk leven,
hemelsche, zoete rust zij U gegeven,
laat mij op aarde treurig voortbestaan.

Als in de ijlten waar gij zijt, misschien
men heugnis gunt aan wat op aard bezeten,
wil dan de vurige liefde niet vergeten,
die ge in mijn oog zoo zuiver hebt gezien.

En meent ge dat U eenig nut kan geven
de groote smart, die in mijn wezen schreit,
't onheelbaar leed uit Uw verlies gebleven,

Bid dan aan God, Meester van onze tijd,
dat Hij mij even spoedig 't weerzien geve,
als uit mijn oog Hij U heeft weggeleid.

(Vertaling Marcus de Jong, uit Beknopte geschiedenis der Portugese Letterkunde, L.J. Veen, 1958)



Luís Vaz de Camões (c. 1524- Lissabon, 10 juni 1580) wordt beschouwd als Portugals grootste dichter, en was de auteur van het werk De Lusiaden (Os Lusíadas in het Portugees), geschreven in 1572. De belangrijkste literatuurprijs binnen het Portugese taalgebied, de Camõesprijs, is naar hem genoemd.


Alma minha gentil, que te partiste
Tão cedo desta vida, descontente,
Repousa lá no Céu eternamente
E viva eu cá na terra sempre triste.

Se lá no assento etéreo, onde subiste,
Memória desta vida se consente,
Não te esqueças daquele amor ardente
Que já nos olhos meus tão puro viste.

E se vires que pode merecer-te
Alguma cousa a dor que me ficou
Da mágoa, sem remédio, de perder-te,

Roga a Deus, que teus anos encurtou,
Que tão cedo de cá me leve a ver-te,
Quão cedo de meus olhos te levou.

quinta-feira, 6 de janeiro de 2011

Fernando Pessoa - Liefde is wezenlijk

Liefde is wezenlijk
tekening van Luis Lage

Liefde is wezenlijk.
Seks, slechts contingent.
Kan zijn gelijk
Of verschillend.
Een mens is geen beest:
Is vlees, maar intelligent,
Hoewel soms net ziek geweest.

Fernando Pessoa (05-04-1935)
'Selected Poems' vertaald uit het Portugees door J.Griffin, vertaald uit het Engels door Willem Minderhout.

Love is Essential

Love is essential.
Sex, mere accident.
Can be equal
Or different.
A man's not an animal:
Is a flesh intelligent,
Although sometomes ill.


O amor é essencial

O amor é essencial
O sexo é só um acidente.
Pode ser igual
Ou diferente.
O homem não é um animal:
É uma carne inteligente,
Embora às vezes doente.

sábado, 1 de janeiro de 2011

Álvaro de Campos - Soms...

Soms…
Soms heb ik gelukkige gedachten,
Gedachten, plotseling gelukkig, in gedachten
En in de woorden waar ze zich vanzelf in losmaken...
Na het schrijven, lees ik…
Waarom heb ik dit geschreven?
Waar heb ik dit vandaan gehaald?
Van waar is dit tot mij gekomen? Dit is beter
dan ikzelf…
Zouden wij op deze wereld niets dan pennen
zijn met inkt
Waarmee iemand waarachtig schrijft wat wij
hier krassen?…

Fernando Pessoa via zijn heteroniem Álvaro da Campos
Vertaling August Willemsen


Às vezes...
Às vezes tenho ideias felizes,
Ideias subitamente felizes, em ideias
E nas palavras em que naturalmente se despegam...

Depois de escrever, leio...
Por que escrevi isto?
Onde fui buscar isto?
De onde me veio isto? Isto é melhor do que eu...
Seremos nós neste mundo apenas canetas
com tinta
Com que alguém escreve a valer o que nós
aqui traçamos?...

sexta-feira, 31 de dezembro de 2010

Álvaro de Campos - Sigarenwinkel

Sigarenwinkel



Ik ben niets.
Ik zal nooit iets zijn.
Ik kan ook niet iets willen zijn.
Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.

Vensters van mijn kamer,
Kamer van een der miljoenen op aarde van wie geen mens weet wie hij is
(En als ze zouden weten wie hij is, wat zouden ze dan weten?),
Ge ziet uit op het mysterie van een straat waardoor voortdurend mensen lopen,
Op een straat voor iedere gedachte ontoegankelijk,
Werkelijk, onmogelijkerwijze werkelijk, zeker, ongekenderwijze zeker,
Waar het mysterie der dingen onder de stenen en de wezens ligt,
Waar de dood vocht legt op de muren en op de mensen witte haren,
Waar het Lot de kar van alles stuurt over de weg van niets.

Ik ben vandaag verslagen, alsof ik de waarheid wist.
Ik ben vandaag lucide, alsof ik op het punt van sterven stond,
En niet meer broederschap had met de dingen
Dan een afscheid, dat dit huis en deze straatkant transformeert
In een rij treinwagons, het fluitsignaal van een vertrek
Gegeven in mijn hersens,
En een schokken van mijn zenuwen en een geknars van botten bij het rijden.

Ik ben vandaag perplex, als wie heeft nagedacht, gevonden en vergeten.
Ik ben vandaag verdeeld tussen de trouw die ik verschuldigd ben
Aan de Sigarenwinkel aan de overkant, als uiterlijke werkelijkheid,
En de gewaarwording dat alles droom is, innerlijke werkelijkheid.

Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft,
Heb ik verlaten door het achterraam.
Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik ga weg van het raam af, ga zitten in een stoel. Waar zal ik eens aan denken?

Wat weet ik van wat ik zal zijn, ik die niet weet wat ik ben?
Zijn wat ik denk te zijn? Maar ik denk zo veel te zijn!
En er zijn zo velen die denken hetzelfde te zijn dat er nooit zo velen kunnen zijn!
Genie? Op dit moment
Wanen honderdduizend breinen zich in droom genie als ik,
En de geschiedenis zal er, wie weet?, niet één vermelden,
En nets anders zal resten dan mest van hun toekomstige veroveringen.
Nee, ik geloof niet in mijzelf.
In alle gekkenhuizen zijn volslagen idioten vol van zekerheden!
Ik, die geen zekerheid heb, ben ik onzekerder of zekerder?
Nee, zelfs niet in mijzelf ...
In hoeveel zolderkamers en niet-zolderkamers op de wereld
Zitten niet op dit moment genieën-voor-zichzelf te dromen?
Hoeveel verheven, nobele, lucide aspiraties -
Ja, waarlijk verheven, nobel en lucide -,
En wie weet realiseerbaar,
Zullen nooit het werkelijke zonlicht zien noch oren om te horen vinden?
De wereld is voor wie geboren wordt haar te veroveren
En niet voor hem die droomt dat hij haar kan veroveren, ook al heeft hij gelijk.
Ik heb meer gedroomd dan Napoleon heeft verricht.
Ik heb aan mijn veronderstelde hart meer mensdommen gedrukt dan Christus,
Ik heb filosofieën in 't geheim ontwikkeld die geen Kant geschreven heeft.
Maar ik ben, en zal wel altijd zijn, die van de zolderkamer,
Ook al woon ik daarin niet;
Ik zal altijd zijn degeen die daarvoor niet geboren was;
Ik zal altijd enkel zijn degeen die zo begaafd was;
Ik zal altijd degene zijn die hoopte dat men hem de deur zou opendoen voor een muur zonder deur,
En die het lied van het Oneindige zong in een kippenren,
En de stem Gods hoorde in een gedempte put.

Geloven in mijzelf? Nee, noch in wat dan ook.
Laat de Natuur over mijn koortsig hoofd
Haar zon uitstorten en haar regen, de wind die mijn haren weet te vinden,
En laat de rest maar komen als het komt, of komen moet, of anders komt het niet.
Hartlijdende slaven van de sterren,
Hebben wij de wereld al veroverd vóór uit ons bed te komen;
Maar we ontwaken en ze is ondoorzichtig,
We staan op en zij is vreemd,
We gaan het huis uit en ze is de hele aarde,
Plus het zonnestelsel en de Melkweg en het Onbegrensde.

(Eet die chocolaatjes, kleine meid; Eet op!
Heus, er is op de wereld niet meer metafysica dan chocolaatjes.
Heus, alle religie samen leert ons niet meer dan snoepgoed.
Eet op, mormel, eet op!
Kon ik maar chocolaatjes eten met dezelfde authenticiteit waarmee jij eet!
Ik echter denk, en als ik het zilverpapier eraf haal, dat van tin is,
Gooi ik alles op de grond, zoals ik ook mijn leven heb vergooid.)

Maar althans blijft van de bitterheid om wat ik nooit zal zijn
Het vlugge handschrift dezer verzen,
In puin gevallen poort tot het Onmogelijke.
Maar althans draag ik mijzelf verachting zonder tranen toe,
Nobel tenminste in het waardige gebaar waarmee ik
Zonder waslijst in der dingen loop de vuile was werp die ik ben,
En thuisblijf zonder hemd.

(Gij die vertroost, die niet bestaat en daarom troost vertroost,
Hetzij Griekse godin, gedacht als standbeeld maar dan levend,
Of Romeins patriciërsvrouw, ondenkbaar nobel en noodlottig,
Of prinses der troubadours, gracieus in kleurige gewaden,
Of markiezin uit de achttiende eeuw, gedecolleteerd, gedistancieerd,
Of beroemde cocotte uit de tijd van onze vaders,
Of iets moderns - hoewel ik niet zou weten wát-,
Dat alles, wat het zij, wat gij ook zijt, als het kan inspireren, dat het inspirere!
Mijn hart is een leeggegooide emmer.
Zoals zij die geesten oproepen geesten oproepen roep ik
Mijzelf op en vind niets.
Ik ga voor het raam staan en ik zie de straat met absolute duidelijkheid.
Ik zie de winkels, ik zie de trottoirs, ik zie de auto's die voorbijgaan,
Ik zie de levende en aangeklede wezens die elkaar passeren;
Ik zie de honden die, ook zij, bestaan,
En dit alles deprimeert me als een vonnis tot verbanning,
En dit alles is vreemd, als alles.)

Ik heb geleefd, heb gestudeerd, heb liefgehad en zelfs geloofd,
En thans is er geen bedelaar die ik niet benijd alleen omdat hij mij niet is.
Ik zie van elk de lompen en de wonden en de leugens,
En ik denk: je hebt misschien nooit gestudeerd, geleefd, geloofd of liefgehad
(Want dit alles kunnen we in werkelijkheid doen zonder het echt te doen);
Je hebt misschien alleen bestaan, zoals een hagedis met afgeknipte staart
En die op kronkelende wijze staart is zonder hagedis.

Ik ben geworden wat ik niet kon zijn,
En wat ik zijn kon ben ik niet geworden.
De domino die ik aantrok was de verkeerde.
Men herkende mij meteen als de persoon die ik niet was en ik ontkende niet, en was verloren.
Toen ik het masker wilde afdoen,
Zat het vast aan mijn gezicht.
Toen ik het afdeed en mij in de spiegel zag,
Was ik reeds oud geworden.
Ik was dronken, kon de domino niet aan die ik niet uitgetrokken had.
Ik wierp het masker weg en ik ging slapen in de vestiaire
Als een hond die wordt getolereerd door de directie
Omdat hij ongevaarlijk is
En ik schrijf deze verhaal om te bewijzen hoe subliem ik ben.

Muzikale kern van mijn onnutte verzen,
Kon ik u slechts zien als iets wat ik zelf maakte,
In plaats van als maar tegenover de Sigarenwinkel tegenover mij te zitten,
Met voeten het bewustzijn tredend te bestaan,
Gelijk een vloerkleed waar een dronkaard over struikelt
Of een deurmat die, gestolen door zigeuners, bleek niets waard te zijn.

Maar de Sigarenhandelaar is in de deur gekomen en hij blijft daar staan.
Ik bezie hem met het onbehagen van het half gedraaide hoofd
En met het onbehagen van de ziel die half begrijpt.
Hij zal sterven en ik zal sterven.
Hij zal zijn uithangbord nalaten, ik zal poëzie nalaten.
Te zijner tijd zal ook het uithangbord vergaan, en ook de poëzie.
Later zal de straat vergaan waar het uithangbord gehangen heeft,
En ook de taal waarin de poëzie geschreven was.
Nog later zal de tollende planeet vergaan waarop dit alles plaatsvond.
Op andere satellieten van andere stelsels zal zo iets als mensen
Voortgaan zoiets als poëzie te maken en te leven onder zoiets als uithangborden,

Steeds het een tegenover het ander,
Steeds het een zo zinloos als het ander,
Steeds het onmogelijke zo stompzinnig als het werkelijke,
Steeds het mysterie van de diepte even zeker als de slaap van mysterie aan het oppervlak,
Steeds dit of steeds iets anders of anders noch het een noch het ander.

Maar een man is de Sigarenwinkel ingegaan (om sigaren te kopen?)
En eensklaps overvalt mij de plausibele realiteit.
Ik kom half overeind, vol energie en overtuiging, als een mens,
En ga proberen dit gedicht te schrijven waarin ik het tegendeel beweer.
Ik steek een sigaret op, denkend aan het schrijven
En in de sigaret proef ik bevrijding van alle gedachten.
Ik volg de rook gelijk een eigen weg,
En in een passend en gevoelvol ogenblik geniet ik
De bevrijding van alle bespiegelingen
En het besef dat metafysica een gevolg van zich niet lekker voelen is.

Dan ga ik achterover liggen in mijn stoel
En ik ga door met roken.
Zolang het Lot het mij vergunt, zal ik doorgaan met roken.

(Wanneer ik met de dochter van mijn wasvrouw trouwde
Was ik misschien gelukkig.)
Dit begrepen hebbend, sta ik uit mijn stoel op. Ik ga naar het raam.

De man is de Sigarenwinkel uitgekomen (kleingeld in zijn broekzak stekend?).
O, ik ken hem; het is Steven zonder metafysica.
(De Baas van de Sigarenwinkel is in de deur gaan staan.)
Als gedreven door een goddelijk instinct draaide Steven zich om en zag mij.
Hij zwaaide naar me, en ik riep Dag, Steven!, en het universum
Kreeg voor mij zijn vorm weer zonder hoop noch ideaal, en de Baas van de Sigarenwinkel
glimlachte.

Fernando Pessoa via zijn heteroniem Álvaro de Campos, 15-1-1928
Vertaling August Willemsen

Tabacaria
Não sou nada.
Nunca serei nada.
Não posso querer ser nada.
À parte isso, tenho em mim todos os sonhos do mundo.
Janelas do meu quarto,
Do meu quarto de um dos milhões do mundo que ninguém sabe quem é
(E se soubessem quem é, o que saberiam?),
Dais para o mistério de uma rua cruzada constantemente por gente,
Para uma rua inacessível a todos os pensamentos,
Real, impossivelmente real, certa, desconhecidamente certa,
Com o mistério das coisas por baixo das pedras e dos seres,
Com a morte a pôr humidade nas paredes e cabelos brancos nos homens,
Com o Destino a conduzir a carroça de tudo pela estrada de nada.
Estou hoje vencido, como se soubesse a verdade.
Estou hoje lúcido, como se estivesse para morrer,
E não tivesse mais irmandade com as coisas
Senão uma despedida, tornando-se esta casa e este lado da rua
A fileira de carruagens de um comboio, e uma partida apitada
De dentro da minha cabeça,
E uma sacudidela dos meus nervos e um ranger de ossos na ida.
Estou hoje perplexo, como quem pensou e achou e esqueceu.
Estou hoje dividido entre a lealdade que devo
À Tabacaria do outro lado da rua, como coisa real por fora,
E à sensação de que tudo é sonho, como coisa real por dentro.
Falhei em tudo.
Como não fiz propósito nenhum, talvez tudo fosse nada.
A aprendizagem que me deram,
Desci dela pela janela das traseiras da casa.
Fui até ao campo com grandes propósitos.
Mas lá encontrei só ervas e árvores,
E quando havia gente era igual à outra.
Saio da janela, sento-me numa cadeira. Em que hei-de pensar?
Que sei eu do que serei, eu que não sei o que sou?
Ser o que penso? Mas penso ser tanta coisa!
E há tantos que pensam ser a mesma coisa que não pode haver tantos!
Génio? Neste momento
Cem mil cérebros se concebem em sonho génios como eu,
E a história não marcará, quem sabe?, nem um,
Nem haverá senão estrume de tantas conquistas futuras.
Não, não creio em mim.
Em todos os manicómios há doidos malucos com tantas certezas!
Eu, que não tenho nenhuma certeza, sou mais certo ou menos certo?
Não, nem em mim...
Em quantas mansardas e não-mansardas do mundo
Não estão nesta hora génios-para-si-mesmos sonhando?
Quantas aspirações altas e nobres e lúcidas -
Sim, verdadeiramente altas e nobres e lúcidas -,
E quem sabe se realizáveis,
Nunca verão a luz do sol real nem acharão ouvidos de gente?
O mundo é para quem nasce para o conquistar
E não para quem sonha que pode conquistá-lo, ainda que tenha razão.
Tenho sonhado mais que o que Napoleão fez.
Tenho apertado ao peito hipotético mais humanidades do que Cristo,
Tenho feito filosofias em segredo que nenhum Kant escreveu.
Mas sou, e talvez serei sempre, o da mansarda,
Ainda que não more nela;
Serei sempre o que não nasceu para isso;
Serei sempre só o que tinha qualidades;
Serei sempre o que esperou que lhe abrissem a porta ao pé de uma parede sem porta,
E cantou a cantiga do Infinito numa capoeira,
E ouviu a voz de Deus num poço tapado.

Crer em mim? Não, nem em nada.
Derrame-me a Natureza sobre a cabeça ardente
O seu sol, a sua chuva, o vento que me acha o cabelo,
E o resto que venha se vier, ou tiver que vir, ou não venha.
Escravos cardíacos das estrelas,
Conquistámos todo o mundo antes de nos levantar da cama;
Mas acordamos e ele é opaco,
Levantámo-nos e ele é alheio,
Saímos de casa e ele é a terra inteira,
Mais o sistema solar e a Via Láctea e o Indefinido.
(Come chocolates, pequena;
Come chocolates!
Olha que não há mais metafísica no mundo senão chocolates.
Olha que as religiões todas não ensinam mais que a confeitaria.
Come, pequena suja, come!
Pudesse eu comer chocolates com a mesma verdade com que comes!
Mas eu penso e, ao tirar o papel de prata, que é de folha de estanho,
Deito tudo para o chão, como tenho deitado a vida.)
Mas ao menos fica da amargura do que nunca serei
A caligrafia rápida destes versos,
Pórtico partido para o Impossível.
Mas ao menos consagro a mim mesmo um desprezo sem lágrimas,
Nobre ao menos no gesto largo com que atiro
A roupa suja que sou, em rol, pra o decurso das coisas,
E fico em casa sem camisa.
(Tu que consolas, que não existes e por isso consolas,
Ou deusa grega, concebida como estátua que fosse viva,
Ou patrícia romana, impossivelmente nobre e nefasta,
Ou princesa de trovadores, gentilíssima e colorida,
Ou marquesa do século dezoito, decotada e longínqua,
Ou cocote célebre do tempo dos nossos pais,
Ou não sei quê moderno - não concebo bem o quê -
Tudo isso, seja o que for, que sejas, se pode inspirar que inspire!
Meu coração é um balde despejado.
Como os que invocam espíritos invocam espíritos invoco
A mim mesmo e não encontro nada.
Chego à janela e vejo a rua com uma nitidez absoluta.
Vejo as lojas, vejo os passeios, vejo os carros que passam,
Vejo os entes vivos vestidos que se cruzam,
Vejo os cães que também existem,
E tudo isto me pesa como uma condenação ao degredo,
E tudo isto é estrangeiro, como tudo.)
Vivi, estudei, amei e até cri,
E hoje não há mendigo que eu não inveje só por não ser eu.
Olho a cada um os andrajos e as chagas e a mentira,
E penso: talvez nunca vivesses nem estudasses nem amasses nem cresses
(Porque é possível fazer a realidade de tudo isso sem fazer nada disso);
Talvez tenhas existido apenas, como um lagarto a quem cortam o rabo
E que é rabo para aquém do lagarto remexidamente
Fiz de mim o que não soube
E o que podia fazer de mim não o fiz.
O dominó que vesti era errado.
Conheceram-me logo por quem não era e não desmenti, e perdi-me.
Quando quis tirar a máscara,
Estava pegada à cara.
Quando a tirei e me vi ao espelho,
Já tinha envelhecido.
Estava bêbado, já não sabia vestir o dominó que não tinha tirado.

Deitei fora a máscara e dormi no vestiário
Como um cão tolerado pela gerência
Por ser inofensivo
E vou escrever esta história para provar que sou sublime.
Essência musical dos meus versos inúteis,
Quem me dera encontrar-me como coisa que eu fizesse,
E não ficasse sempre defronte da Tabacaria de defronte,
Calcando aos pés a consciência de estar existindo,
Como um tapete em que um bêbado tropeça
Ou um capacho que os ciganos roubaram e não valia nada.
Mas o Dono da Tabacaria chegou à porta e ficou à porta.
Olho-o com o desconforto da cabeça mal voltada
E com o desconforto da alma mal-entendendo.
Ele morrerá e eu morrerei.
Ele deixará a tabuleta, eu deixarei os versos.
A certa altura morrerá a tabuleta também, os versos também.
Depois de certa altura morrerá a rua onde esteve a tabuleta,
E a língua em que foram escritos os versos.
Morrerá depois o planeta girante em que tudo isto se deu.
Em outros satélites de outros sistemas qualquer coisa como gente
Continuará fazendo coisas como versos e vivendo por baixo de coisas como tabuletas,
Sempre uma coisa defronte da outra,
Sempre uma coisa tão inútil como a outra,
Sempre o impossível tão estúpido como o real,
Sempre o mistério do fundo tão certo como o sono de mistério da superfície,
Sempre isto ou sempre outra coisa ou nem uma coisa nem outra.
Mas um homem entrou na Tabacaria (para comprar tabaco?)
E a realidade plausível caí de repente em cima de mim.
Semiergo-me enérgico, convencido, humano,
E vou tencionar escrever estes versos em que digo o contrário.
Acendo um cigarro ao pensar em escrevê-los
E saboreio no cigarro a libertação de todos os pensamentos.
Sigo o fumo como uma rota própria,
E gozo, num momento sensitivo e competente,
A libertação de todas as especulações
E a consciência de que a metafísica é uma consequência de estar mal disposto.
Depois deito-me para trás na cadeira
E continuo fumando.
Enquanto o Destino mo conceder, continuarei fumando.
(Se eu casasse com a filha da minha lavadeira
Talvez fosse feliz.)
Visto isto, levanto-me da cadeira. Vou à janela.
O homem saiu da Tabacaria (metendo troco na algibeira das calças?).
Ah, conheço-o; é o Esteves sem metafísica.
(O Dono da Tabacaria chegou à porta.)
Como por um instinto divino o Esteves voltou-se e viu-me.
Acenou-me adeus, gritei-lhe Adeus ó Esteves!, e o universo
Reconstruiu-se-me sem ideal nem esperança, e o Dono da Tabacaria sorriu.
Álvaro de Campos, 15-1-1928