Mijn blik is zuiver als een zonnebloem.
Mijn blik is zuiver als een zonnebloem.
Ik ben gewoon langs de wegen te lopen
Al kijkend naar rechts en naar links
En nu en dan ook achterom…
En wat ik zie op elk moment
Is dat wat ik nooit eerder had gezien,
En ik weet dit heel goed op te marken…
Ik kan die verbazing in mij hebben
Die een kind zou hebben dat, hij de geboorte,
Zou beseffen dat het echt geboren was…
Ik voel mij elk moment geboren
Voor het eeuwig nieuwe van de wereld…
Ik geloof in de wereld zoals in een madeliefje,
Omdat ik haar zie. Maar ik denk er niet aan
Want denken, dat is niet begrijpen…
De wereld is niet gemaakt opdat wij erover zouden denken
(denken betekent een oogziekte hebben)
Maar om ernaar te kijken en het ermee eens te zijn.
Ik heb geen filosofie: ik heb zintuigen…
Als ik al spreek van de natuur, dan niet omdat ik weet wat zij is,
Maar omdat ik haar liefheb, en daarom juist heb ik haar lief,
Want wie liefheeft weet nooit wat hij liefheeft
Noch waarom hij liefheeft, noch wat liefde is…
Liefhebben is de eeuwige onschuld,
En de enige onschuld is niet denken…
Alberto Caeiro, in "O Guardador de Rebanhos - Poema I"
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro
Vertaling August Willemsen
Alberto Caeiro was eerste grote heteronym van Pessoa; samengevat door Pessoa, die schrijft: „Hij ziet dingen slechts met de ogen, niet met de mening.
O meu olhar é nítido como um girassol.O meu olhar é nítido como um girassol.
Tenho o costume de andar pelas estradas
Olhando para a direita e para a esquerda,
E de vez em quando olhando para trás...
E o que vejo a cada momento
É aquilo que nunca antes eu tinha visto,
E eu sei dar por isso muito bem...
Sei ter o pasmo essencial
Que tem uma criança se, ao nascer,
Reparasse que nascera deveras...
Sinto-me nascido a cada momento
Para a eterna novidade do Mundo...
Creio no mundo como num malmequer,
Porque o vejo. Mas não penso nele
Porque pensar é não compreender...
O Mundo não se fez para pensarmos nele
(Pensar é estar doente dos olhos)
Mas para olharmos para ele e estarmos de acordo.
Eu não tenho filosofia; tenho sentidos...
Se falo na Natureza não é porque saiba o que ela é,
Mas porque a amo, e amo-a por isso
Porque quem ama nunca sabe o que ama
Nem sabe por que ama, nem o que é amar...
Amar é a eterna inocência,
E a única inocência não pensar...
Alberto Caeiro
Nederlands is een taal die ik nog steeds niet perfect beheers. Toch wil ik mijn favoriete Portugese dichters met jullie delen...
quinta-feira, 12 de abril de 2012
sexta-feira, 11 de novembro de 2011
Carlos Drumond de Andrade - Het kontje, ach hoe aardig
Het kontje, ach hoe aardig
Het kontje, ach hoe aardig,
Lacht altijd, nooit tragisch.
Kan niet schelen wat
van voren zit. Het kontje is zichzelf genoeg.
Is er nog meer? Misschien de borsten.
Nou - moppert het kontje - die jongens
hebben nog heel wat voor de boeg.
Het kontje is tweelingmanen
in een onbelemmerd wiegen. Loopt vanzelf
in zijn lieftallige cadans, zijn wonder
twee in een te zijn, volledig.
Het kontje vermaakt zich
in zijn eentje. En bemint.
In bed beweegt het. Bergen
rijzen, dalen. Golven slaan
op grenzeloze kust.
Daar gaat het kontje, lachend. Blij
met de streling er te zijn, te schommelen.
Harmonieuze sferen hoog boven de chaos.
Het kontje is het kontje,
een rondje.
Carlos Drumond de Andrade
Vertaald door August Willemsen
Carlos Drummond de Andrade (Itabira, 31 oktober 1902 – Rio de Janeiro, 17 augustus 1987) was misschien het invloedrijkst Braziliaans dichter van 20ste eeuw.
A bunda, que engraçada
A bunda, que engraçada.
Está sempre sorrindo, nunca é trágica.
Não lhe importa o que vai
pela frente do corpo. A bunda basta-se.
Existe algo mais? Talvez os seios.
Ora - murmura a bunda - esses garotos
ainda lhes falta muito que estudar.
A bunda são duas luas gêmeas
em rotundo meneio. Anda por si
na cadência mimosa, no milagre
de ser duas em uma, plenamente.
A bunda se diverte
por conta própria. E ama.
Na cama agita-se. Montanhas
avolumam-se, descem. Ondas batendo
numa praia infinita.
Lá vai sorrindo a bunda. Vai feliz
na carícia de ser e balançar
Esferas harmoniosas sobre o caos.
A bunda é a bunda
redunda.
sábado, 8 de outubro de 2011
Luís Vaz de Camões - Liefde
Liefde is een gloed die schroeit zonder vlam
Liefde is een wonde die kwelt zonder smart
Liefde is een blijdschap die jubelt zonder vreugd
Liefde is een pijn die foltert zonder klacht.
Liefde is vol verlangen zich afkeren
Liefde is door volk omgeven zich vereenzamen
Liefde is zonder voldoening zich bevredigen
Liefde is overwinnen door zich te verliezen.
Liefde is een gevang, dat men ingaat zonder schroom
Liefde is een overwinnaar die men dient met opgeheven hoofd
Liefde is een moordenaar, die men aanhangt zonder vertrouwen.
Liefde is . . . Och hoe bestaat het
dat in ons broze hart eenzelfde liefde
met zo'n verwarrende gevoelens blijft gedijen?
(vertaling: Karel van Dorpe)
Amor
Amor é fogo que arde sem se ver;
é ferida que dói e não se sente;
é um contentamento descontente;
é dor que desatina sem doer.
É um não querer mais que bem querer;
é solitário andar por entre a gente;
é um não contentar-se de contente;
é cuidar que se ganha em se perder.
É um estar-se preso por vontade;
é servir, a quem vence, o vencedor;
é um ter com quem nos mata lealdade.
Mas como causar pode o seu favor
nos mortais corações conformidade,
sendo a si tão contrário o mesmo amor?
(Luís de Camões)
Liefde is een wonde die kwelt zonder smart
Liefde is een blijdschap die jubelt zonder vreugd
Liefde is een pijn die foltert zonder klacht.
Liefde is vol verlangen zich afkeren
Liefde is door volk omgeven zich vereenzamen
Liefde is zonder voldoening zich bevredigen
Liefde is overwinnen door zich te verliezen.
Liefde is een gevang, dat men ingaat zonder schroom
Liefde is een overwinnaar die men dient met opgeheven hoofd
Liefde is een moordenaar, die men aanhangt zonder vertrouwen.
Liefde is . . . Och hoe bestaat het
dat in ons broze hart eenzelfde liefde
met zo'n verwarrende gevoelens blijft gedijen?
(vertaling: Karel van Dorpe)
Amor
Amor é fogo que arde sem se ver;
é ferida que dói e não se sente;
é um contentamento descontente;
é dor que desatina sem doer.
É um não querer mais que bem querer;
é solitário andar por entre a gente;
é um não contentar-se de contente;
é cuidar que se ganha em se perder.
É um estar-se preso por vontade;
é servir, a quem vence, o vencedor;
é um ter com quem nos mata lealdade.
Mas como causar pode o seu favor
nos mortais corações conformidade,
sendo a si tão contrário o mesmo amor?
(Luís de Camões)
segunda-feira, 3 de outubro de 2011
Eugénio de Andrade - Vaarwel
We hebben de woorden op straat al verbruikt, lieveling,
en wat ons nog rest volstaat niet
om de koude te verjagen van vier muren.
We hebben alles verbruikt behalve de stilte.
Onze ogen hebben we met zout van de tranen
verslonden, de handen versleten door ze te drukken,
de klok en de stenen van de kamerhoeken
verteerd in vergeefse verwachting.
Ik steek mijn handen in mijn zakken en ik vind niets.
We hadden vroeger zoveel om elkaar te geven;
Het was alsof alle dingen van mij waren:
Hoe meer ik je gaf hoe meer ik je te geven had.
Soms zei je: jouw ogen zijn groene vissen.
En ik naam het aan.
Ik naam het aan,
omdat aan jouw zijde
alle dingen mogelijk waren.
Maar dat was in de tijd van de geheimen,
het was in de tijd dat jouw lichaam een aquarium was,
het was in de tijd dat mijn ogen
waarachtig groene vissen waren.
Nu zijn het alleen maar mijn ogen meer.
Het is weinig, maar het is de waarheid,
een paar ogen zoals alle andere.
We hebben de woorden reeds verbruikt.
Hoe vaak ik nu ook zeg: lieveling
er gebeurt helemaal niets meer.
En toch, vóór de versleten woorden,
weet ik met zekerheid
dat alleen door jouw naam te fluisteren
Alle dingen sidderen
in de stilte van mijn hart.
Wij hebben niets meer te geven.
Er is in jou
niets meer dat mij om water vraagt.
Het verleden is nutteloos als de vod.
En ik heb je reeds gezegd: de woorden zijn verbruikt.
Vaarwel.
Eugénio de Andrade
Vertaling Toon Cappuyns – Germain Droogenbroodt
Eugénio de Andrade, pseudoniem van José Fontinhas, GOSE, GCM (Póvoa de Atalaia, Fundão, 19 Januari 1923 – Porto, 13 Juni 2005), was a Portugees dichter. Hij wordt gerespecteerd als één van de belangrijke namen in tijdgenoot Portugese poëzie.
Adeus
Já gastámos as palavras pela rua, meu amor,
e o que nos ficou não chega
para nos afastar o frio de quatro paredes.
Gastámos tudo menos o silêncio.
Gastámos os olhos com o sal das lágrimas,
gastámos as mãos à força de as apertarmos,
gastámos o relógio e as pedras das esquinas
em esperas inúteis.
Meto as mãos nas algibeiras e não encontro nada.
Antigamente tínhamos tanto para dar um ao outro;
era como se todas as coisas fossem minhas:
quanto mais te dava mais tinha para te dar.
Às vezes tu dizias: os teus olhos são peixes verdes.
E eu acreditava.
Acreditava,
porque ao teu lado
todas as coisas eram possíveis.
Mas isso era no tempo dos segredos,
era no tempo em que o teu corpo era um aquário,
era no tempo em que os meus olhos
eram realmente peixes verdes.
Hoje são apenas olhos.
É pouco, mas é verdade,
uns olhos como todos os outros.
Já gastamos as palavras.
Quando agora digo: meu amor,
já se não passa absolutamente nada.
E, no entanto, antes das palavras gastas,
tenho a certeza
que todas as coisas estremeciam
só de murmurar o teu nome
no silêncio do meu coração.
Não temos já nada para dar.
Dentro de ti
não há nada que me peça água.
O passado é inútil como um trapo.
E já disse: as palavras estão gastas.
Adeus.
Eugénio de Andrade
en wat ons nog rest volstaat niet
om de koude te verjagen van vier muren.
We hebben alles verbruikt behalve de stilte.
Onze ogen hebben we met zout van de tranen
verslonden, de handen versleten door ze te drukken,
de klok en de stenen van de kamerhoeken
verteerd in vergeefse verwachting.
Ik steek mijn handen in mijn zakken en ik vind niets.
We hadden vroeger zoveel om elkaar te geven;
Het was alsof alle dingen van mij waren:
Hoe meer ik je gaf hoe meer ik je te geven had.
Soms zei je: jouw ogen zijn groene vissen.
En ik naam het aan.
Ik naam het aan,
omdat aan jouw zijde
alle dingen mogelijk waren.
Maar dat was in de tijd van de geheimen,
het was in de tijd dat jouw lichaam een aquarium was,
het was in de tijd dat mijn ogen
waarachtig groene vissen waren.
Nu zijn het alleen maar mijn ogen meer.
Het is weinig, maar het is de waarheid,
een paar ogen zoals alle andere.
We hebben de woorden reeds verbruikt.
Hoe vaak ik nu ook zeg: lieveling
er gebeurt helemaal niets meer.
En toch, vóór de versleten woorden,
weet ik met zekerheid
dat alleen door jouw naam te fluisteren
Alle dingen sidderen
in de stilte van mijn hart.
Wij hebben niets meer te geven.
Er is in jou
niets meer dat mij om water vraagt.
Het verleden is nutteloos als de vod.
En ik heb je reeds gezegd: de woorden zijn verbruikt.
Vaarwel.
Eugénio de Andrade
Vertaling Toon Cappuyns – Germain Droogenbroodt
Eugénio de Andrade, pseudoniem van José Fontinhas, GOSE, GCM (Póvoa de Atalaia, Fundão, 19 Januari 1923 – Porto, 13 Juni 2005), was a Portugees dichter. Hij wordt gerespecteerd als één van de belangrijke namen in tijdgenoot Portugese poëzie.
Adeus
Já gastámos as palavras pela rua, meu amor,
e o que nos ficou não chega
para nos afastar o frio de quatro paredes.
Gastámos tudo menos o silêncio.
Gastámos os olhos com o sal das lágrimas,
gastámos as mãos à força de as apertarmos,
gastámos o relógio e as pedras das esquinas
em esperas inúteis.
Meto as mãos nas algibeiras e não encontro nada.
Antigamente tínhamos tanto para dar um ao outro;
era como se todas as coisas fossem minhas:
quanto mais te dava mais tinha para te dar.
Às vezes tu dizias: os teus olhos são peixes verdes.
E eu acreditava.
Acreditava,
porque ao teu lado
todas as coisas eram possíveis.
Mas isso era no tempo dos segredos,
era no tempo em que o teu corpo era um aquário,
era no tempo em que os meus olhos
eram realmente peixes verdes.
Hoje são apenas olhos.
É pouco, mas é verdade,
uns olhos como todos os outros.
Já gastamos as palavras.
Quando agora digo: meu amor,
já se não passa absolutamente nada.
E, no entanto, antes das palavras gastas,
tenho a certeza
que todas as coisas estremeciam
só de murmurar o teu nome
no silêncio do meu coração.
Não temos já nada para dar.
Dentro de ti
não há nada que me peça água.
O passado é inútil como um trapo.
E já disse: as palavras estão gastas.
Adeus.
Eugénio de Andrade
sábado, 12 de março de 2011
Carlos Drummond de Andrade - Internationaal congres van de angst
Internationaal congres van de angst
Tijdelijk zullen wij niet de liefde bezingen,
Die gevlucht is nog onder de souterrains,
Wij zullen de angst bezingen, die omarmingen steriliseert,
wij zullen niet de haat bezingen, omdat die niet bestaat,
bestaan doet slechts de angst, onze vader en onze vriend,
de grote angst voor binnenlanden, voor zeeën, voor woestijnen,
de angst voor soldaten, de angst voor moeders, de angst voor kerken,
wij zullen de angst voor dictators bezingen, de angst voor democraten,
wij zullen de angst voor de dood bezingen en de angst voor na de dood,
vervolgens zullen wij sterven van angst
en boven onze graven zullen gele en bange bloemen bloeien.
Carlos Drumond de Andrade
Vertaald door August Willemsen
Carlos Drummond de Andrade (Itabira, 31 oktober 1902 – Rio de Janeiro, 17 augustus 1987) was misschien het invloedrijkst Braziliaans dichter van 20ste eeuw.
Congresso Internacional do Medo
Provisoriamente não cantaremos o amor,
que se refugiou mais abaixo dos subterrâneos.
Cantaremos o medo, que esteriliza os abraços,
não cantaremos o ódio porque esse não existe,
existe apenas o medo, nosso pai e nosso companheiro,
o medo grande dos sertões, dos mares, dos desertos,
o medo dos soldados, o medo das mães, o medo das igrejas,
cantaremos o medo dos ditadores, o medo dos democratas,
cantaremos o medo da morte e o medo de depois da morte,
depois morreremos de medo
e sobre nossos túmulos nascerão flores amarelas e medrosas.
sábado, 5 de março de 2011
Alberto Caeiro - Vanuit mijn dorp zie ik zoveel van het heelal als men vanaf de aarde zien kan…
Vanuit mijn dorp zie ik zoveel van het heelal als men vanaf de aarde zien kan…
Vanuit mijn dorp zie ik zoveel van het heelal als men vanaf de aarde zien kan…
Daarom is mijn dorp zo groot als ieder ander,
Want ik ben zo groot als wat ik zie
En niet zo groot als ik lang ben…
In de steden is het leven kleiner
Dan hier in mijn huis halfweg de heuvel.
De grote huizen in de stad vergrendelen het zicht,
Verbergen de horizon, duwen onze blik weg van heel de hemel,
Maken ons klein omdat ze ons ontnemen wat ons ogen kunnen geven,
En maken ons arm want onze enige rijkdom is zien.
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro
Vertaling August Willemsen
Da minha aldeia vejo quanto da terra se pode ver no universo...
Da minha aldeia vejo quanto da terra se pode ver no universo...
Por isso a minha aldeia é tão grande como outra terra qualquer,
Porque eu sou do tamanho do que vejo
E não, do tamanho da minha altura...
Nas cidades a vida é mais pequena
Que aqui na minha casa no cimo deste outeiro.
Na cidade as grandes casas fecham a vista à chave,
Escondem o horizonte, empurram o nosso olhar para longe de todo o céu,
Tornam-nos pequenos porque nos tiram o que os nossos olhos nos podem dar,
E tornam-nos pobres porque a nossa única riqueza é ver.
Vanuit mijn dorp zie ik zoveel van het heelal als men vanaf de aarde zien kan…
Daarom is mijn dorp zo groot als ieder ander,
Want ik ben zo groot als wat ik zie
En niet zo groot als ik lang ben…
In de steden is het leven kleiner
Dan hier in mijn huis halfweg de heuvel.
De grote huizen in de stad vergrendelen het zicht,
Verbergen de horizon, duwen onze blik weg van heel de hemel,
Maken ons klein omdat ze ons ontnemen wat ons ogen kunnen geven,
En maken ons arm want onze enige rijkdom is zien.
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro
Vertaling August Willemsen
Da minha aldeia vejo quanto da terra se pode ver no universo...
Da minha aldeia vejo quanto da terra se pode ver no universo...
Por isso a minha aldeia é tão grande como outra terra qualquer,
Porque eu sou do tamanho do que vejo
E não, do tamanho da minha altura...
Nas cidades a vida é mais pequena
Que aqui na minha casa no cimo deste outeiro.
Na cidade as grandes casas fecham a vista à chave,
Escondem o horizonte, empurram o nosso olhar para longe de todo o céu,
Tornam-nos pequenos porque nos tiram o que os nossos olhos nos podem dar,
E tornam-nos pobres porque a nossa única riqueza é ver.
sábado, 12 de fevereiro de 2011
Alberto Caeiro - Ik heb nooit kudden gehoed
Ik heb nooit kudden gehoed
Ik heb nooit kudden gehoed,
Maar het is alsof ik ze hoedde.
mijn ziel is als een herder,
Kent de winden en de zon
En wandelt aan de hand van de seizoenen
Al lopende en kijkende.
De hele rust van de natuur zonder mensen
komt naast mij zitten.
maar ik word triest als een zonsondergang
Voor onze verbeelding,
Wanneer het koud wordt ver weg op de vlakte
En men voelt dat de nacht is binnengekomen
Als een vlinder door het raam.
Maar mijn droefenis is rust
Omdat zij juist is, en natuurlijk,
En dat wat in de ziel moet zijn
Wanneer die reeds denkt te bestaan
En niet merkt dat de handen bloemen plukken.
Als een geluid van koebellen
Voorbij de bocht van de weg,
Zoals mijn gedachten tevreden.
Het spijt me alleen te weten dat ze tevreden zijn,
Want ik wist het niet, dan zouden ze,
In plaats van tevereden en droevig,
Vrolijk en tevreden zijn.
Denken is lastig als in de regen lopen
Wanneer de wind toeneemt en het harder lijkt te regenen.
Ik heb geen ambities noch verlangens.
Dichter zijn is geen ambitie van mij.
Het is mijn manier van alleen zijn.
En als ik soms, in mijn verbeelding,
Verlang een lammetje te zijn
(Of de hele kudde
Om mij over de hele helling te verspreiden
En veel gelukkigs tegelijk te zijn),
Dan is dat slechts omdat ik voel wat ik scrijf bij zonsondergang,
Of wanneer een wolk de hand over het licht strijkt
En een stlte door het gras waart.
Wanneer ik ga zitten om verzen te schrijven
Of, wandelend lags wegen en paden,
Verzen schrijf op een papier in mijn gedachte,
Voel ik een staf in mijn handen
En zie ik een silhouet van mijzelf
Op de top van een heuvel,
Kijkend naar mijn kudde en mijn gedachten ziende
Of kijkend naar mijn gedachten en mijn kudde ziende,
En vaag glimlachend als wie niet begrijpt wat men zegt
En wil doen of hij begrijpt.
Ik groet hen allen die mij mogen lezen,
Ik neem oor hen mijn breedgerande hoed af
Zodra de diligence verschijnt boven de heuveltop
En ze voor mijn deur zien zitten.
Ik groet hen en wens hun zon,
En regen, wanneer ze regen nodig hebben,
En dat in hun huis
Voor een open raam
Een lievelingsstoel staat
Waarin ze kunnen zitten en mijn verzen lezen.
En dat ze, bij het lezen van mijn verzen,
Mogen denken dat ik iets natuurlijks ben -
Bijvoorbeeld, die oude boom
In de schaduw waarvan ze, als kind,
Zich met een plof lieten vallen, moe van het spel,
En het zweet van hun verhitte voorhoofd veegden
Met de mouw van hun gestreepte boezelaar.
Alberto Caeiro, in "O Guardador de Rebanhos - Poema I"
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro
Vertaling August Willemsen
Alberto Caeiro was eerste grote heteronym van Pessoa; samengevat door Pessoa, die schrijft: „Hij ziet dingen slechts met de ogen, niet met de mening.
Eu nunca guardei rebanhos
Eu nunca guardei rebanhos,
Mas é como se os guardasse.
Minha alma é como um pastor,
Conhece o vento e o sol
E anda pela mão das Estações
A seguir e a olhar.
Toda a paz da Natureza sem gente
Vem sentar-se a meu lado.
Mas eu fico triste como um pôr de sol
Para a nossa imaginação,
Quando esfria no fundo da planície
E se sente a noite entrada
Como uma borboleta pela janela.
Mas a minha tristeza é sossego
Porque é natural e justa
E é o que deve estar na alma
Quando já pensa que existe
E as mãos colhem flores sem ela dar por isso.
Como um ruído de chocalhos
Para além da curva da estrada,
Os meus pensamentos são contentes.
Só tenho pena de saber que eles são contentes,
Porque, se o não soubesse,
Em vez de serem contentes e tristes,
Seriam alegres e contentes.
Pensar incomoda como andar à chuva
Quando o vento cresce e parece que chove mais.
Não tenho ambições nem desejos
Ser poeta não é uma ambição minha
É a minha maneira de estar sozinho.
E se desejo às vezes
Por imaginar, ser cordeirinho
(Ou ser o rebanho todo
Para andar espalhado por toda a encosta
A ser muita cousa feliz ao mesmo tempo),
É só porque sinto o que escrevo ao pôr do sol,
Ou quando uma nuvem passa a mão por cima da luz
E corre um silêncio pela erva fora.
Quando me sento a escrever versos
Ou, passeando pelos caminhos ou pelos atalhos,
Escrevo versos num papel que está no meu pensamento,
Sinto um cajado nas mãos
E vejo um recorte de mim
No cimo dum outeiro,
Olhando para o meu rebanho e vendo as minhas idéias,
Ou olhando para as minhas idéias e vendo o meu rebanho,
E sorrindo vagamente como quem não compreende o que se diz
E quer fingir que compreende.
Saúdo todos os que me lerem,
Tirando-lhes o chapéu largo
Quando me vêem à minha porta
Mal a diligência levanta no cimo do outeiro.
Saúdo-os e desejo-lhes sol,
E chuva, quando a chuva é precisa,
E que as suas casas tenham
Ao pé duma janela aberta
Uma cadeira predileta
Onde se sentem, lendo os meus versos.
E ao lerem os meus versos pensem
Que sou qualquer cousa natural —
Por exemplo, a árvore antiga
À sombra da qual quando crianças
Se sentavam com um baque, cansados de brincar,
E limpavam o suor da testa quente
Com a manga do bibe riscado.
Alberto Caeiro, in "O Guardador de Rebanhos - Poema I"
Ik heb nooit kudden gehoed,
Maar het is alsof ik ze hoedde.
mijn ziel is als een herder,
Kent de winden en de zon
En wandelt aan de hand van de seizoenen
Al lopende en kijkende.
De hele rust van de natuur zonder mensen
komt naast mij zitten.
maar ik word triest als een zonsondergang
Voor onze verbeelding,
Wanneer het koud wordt ver weg op de vlakte
En men voelt dat de nacht is binnengekomen
Als een vlinder door het raam.
Maar mijn droefenis is rust
Omdat zij juist is, en natuurlijk,
En dat wat in de ziel moet zijn
Wanneer die reeds denkt te bestaan
En niet merkt dat de handen bloemen plukken.
Als een geluid van koebellen
Voorbij de bocht van de weg,
Zoals mijn gedachten tevreden.
Het spijt me alleen te weten dat ze tevreden zijn,
Want ik wist het niet, dan zouden ze,
In plaats van tevereden en droevig,
Vrolijk en tevreden zijn.
Denken is lastig als in de regen lopen
Wanneer de wind toeneemt en het harder lijkt te regenen.
Ik heb geen ambities noch verlangens.
Dichter zijn is geen ambitie van mij.
Het is mijn manier van alleen zijn.
En als ik soms, in mijn verbeelding,
Verlang een lammetje te zijn
(Of de hele kudde
Om mij over de hele helling te verspreiden
En veel gelukkigs tegelijk te zijn),
Dan is dat slechts omdat ik voel wat ik scrijf bij zonsondergang,
Of wanneer een wolk de hand over het licht strijkt
En een stlte door het gras waart.
Wanneer ik ga zitten om verzen te schrijven
Of, wandelend lags wegen en paden,
Verzen schrijf op een papier in mijn gedachte,
Voel ik een staf in mijn handen
En zie ik een silhouet van mijzelf
Op de top van een heuvel,
Kijkend naar mijn kudde en mijn gedachten ziende
Of kijkend naar mijn gedachten en mijn kudde ziende,
En vaag glimlachend als wie niet begrijpt wat men zegt
En wil doen of hij begrijpt.
Ik groet hen allen die mij mogen lezen,
Ik neem oor hen mijn breedgerande hoed af
Zodra de diligence verschijnt boven de heuveltop
En ze voor mijn deur zien zitten.
Ik groet hen en wens hun zon,
En regen, wanneer ze regen nodig hebben,
En dat in hun huis
Voor een open raam
Een lievelingsstoel staat
Waarin ze kunnen zitten en mijn verzen lezen.
En dat ze, bij het lezen van mijn verzen,
Mogen denken dat ik iets natuurlijks ben -
Bijvoorbeeld, die oude boom
In de schaduw waarvan ze, als kind,
Zich met een plof lieten vallen, moe van het spel,
En het zweet van hun verhitte voorhoofd veegden
Met de mouw van hun gestreepte boezelaar.
Alberto Caeiro, in "O Guardador de Rebanhos - Poema I"
Fernando Pessoa via zijn heteroniem Alberto Caeiro
Vertaling August Willemsen
Alberto Caeiro was eerste grote heteronym van Pessoa; samengevat door Pessoa, die schrijft: „Hij ziet dingen slechts met de ogen, niet met de mening.
Eu nunca guardei rebanhos
Eu nunca guardei rebanhos,
Mas é como se os guardasse.
Minha alma é como um pastor,
Conhece o vento e o sol
E anda pela mão das Estações
A seguir e a olhar.
Toda a paz da Natureza sem gente
Vem sentar-se a meu lado.
Mas eu fico triste como um pôr de sol
Para a nossa imaginação,
Quando esfria no fundo da planície
E se sente a noite entrada
Como uma borboleta pela janela.
Mas a minha tristeza é sossego
Porque é natural e justa
E é o que deve estar na alma
Quando já pensa que existe
E as mãos colhem flores sem ela dar por isso.
Como um ruído de chocalhos
Para além da curva da estrada,
Os meus pensamentos são contentes.
Só tenho pena de saber que eles são contentes,
Porque, se o não soubesse,
Em vez de serem contentes e tristes,
Seriam alegres e contentes.
Pensar incomoda como andar à chuva
Quando o vento cresce e parece que chove mais.
Não tenho ambições nem desejos
Ser poeta não é uma ambição minha
É a minha maneira de estar sozinho.
E se desejo às vezes
Por imaginar, ser cordeirinho
(Ou ser o rebanho todo
Para andar espalhado por toda a encosta
A ser muita cousa feliz ao mesmo tempo),
É só porque sinto o que escrevo ao pôr do sol,
Ou quando uma nuvem passa a mão por cima da luz
E corre um silêncio pela erva fora.
Quando me sento a escrever versos
Ou, passeando pelos caminhos ou pelos atalhos,
Escrevo versos num papel que está no meu pensamento,
Sinto um cajado nas mãos
E vejo um recorte de mim
No cimo dum outeiro,
Olhando para o meu rebanho e vendo as minhas idéias,
Ou olhando para as minhas idéias e vendo o meu rebanho,
E sorrindo vagamente como quem não compreende o que se diz
E quer fingir que compreende.
Saúdo todos os que me lerem,
Tirando-lhes o chapéu largo
Quando me vêem à minha porta
Mal a diligência levanta no cimo do outeiro.
Saúdo-os e desejo-lhes sol,
E chuva, quando a chuva é precisa,
E que as suas casas tenham
Ao pé duma janela aberta
Uma cadeira predileta
Onde se sentem, lendo os meus versos.
E ao lerem os meus versos pensem
Que sou qualquer cousa natural —
Por exemplo, a árvore antiga
À sombra da qual quando crianças
Se sentavam com um baque, cansados de brincar,
E limpavam o suor da testa quente
Com a manga do bibe riscado.
Alberto Caeiro, in "O Guardador de Rebanhos - Poema I"
Subscrever:
Mensagens (Atom)

